De eigen cottage van bouwmeester Oscar Van de Voorde
(1910 ~ 1913)*
De bouwmeester
Oscar Henricus Van de Voorde werd op 19 november 1871 geboren in de Zaaimanstraat nr. 3 te Gent, een ondertussen verdwenen straatje dat de Sint-Margrietstraat met de Schipgracht verbond. Over zijn jeugdjaren is weinig bekend. Hij liep school in de Rijksmiddelbare school en daarna in het Koninklijk Atheneum te gent en s’avonds volgde hij lessen piano en viool aan het Conservatorium. Als scholier liet hij zich in 1887 inschrijven aan de Academie voor Schone Kunsten te Gent voor het vak ‘Antiek Hoofd’ bij kunstschilder louis Tytgadt. Twee jaar later veranderde hij van studierichting en liet hij zich inschrijven voor de cursus ‘Bouwkunde’ bij architect Charles Verspiegel. In het tweede jaar bouwkunde kreeg Van de Voorde les van bouwmeester Joseph De Waele, de latere restaurateur van het Gravensteen, en in de twee daarop volgende jaren werd hij begeleid door stadsbouwmeester Charles van Rysselberghe, die zijn gedrag en zijn ‘leerzaamheid’ als uitmuntend omschreef.
In 1894 werd Van de Voorde bekroond als laureaat van de zesjaarlijkse 'grote prijskamp in de bouwkunde' wat hem tegelijk zijn diploma van bouwkundige opleverde. Als laureaat ontving hij van het stadsbestuur, gedurende drie opeenvolgende jaren, een beurs om studiereizen in het buitenland te ondernemen, vermeerderd met een beurs vanwege het provinciebestuur. In 1895 studeerde hij aan de Academie voor Schone Kunsten te Parijs en werkte hij in ateliers van enkele belangrijke moderne meesters. Nadien bezocht hij verschillende steden in Zuid-Frankrijk, waarna hij verder reisde naar Firenze en Noord-Italië. In 1895 en 1896 studeerde hij 'Middeleeuwse Bouwkunde' bij Charles van Ryseelberghe en in de zomer van 1896 ondernam hij een reis naar Zwitserland en Duitsland. Nadien was hij gedurende een korte periode leerling-architect bij de Koninklijke Commissie voor Monumenten. In 1896 was Van de voorde medestichter van 'Kunst en Kennis', een vereniging van leerlingen en oud-leerlingen van de Gentse Academie. De vereniging organiseerde ontwerwedstrijden, tentoonstellingen in de Aula van de Universiteit, lezingen, studiereizen en gaf tussen 1903 en 1907 een tijschrift uit. Oscar Van de Voorde was voorzitter van 1896 tot 1935.
In 1898 ondernam hij een reis naar Wenen waar hij vermoedelijk lessen volgde aan de Weense Academie bij de bekende bouwmeester otto Wagnet (1841 ~ 1918). Van de Voorde kwam onder de indruk van de Wiener Secession en zal onder meer in de woning in Deurle deze strakke stijl met geometrische versieringselementen toepassen.
In het najaar van 1898 werd Oscar van de Voorde aangesteld als 'leraar van de 3de klas bouwkunde' aan de Koninklijke Academie van Gent. het was het begin van een schitterende carriere als leraar, en later ook als directeur van de Academie, waar van de Voorde heel wat positieve hervormingen kon doorvoeren.
Vanaf 1904 werd Van de Voorde de eerste tutularis van de nieuwe cursus 'Bouwkunde toegepast aan de versieringskunst' een cursus waarbij de leerling-architecten gestimuleerd werden om decoratieve details in hun ontwerpen te intergreren en deze te toetsen aan de parktische uitvoerbaarheid. Tegelijk werd Van de Voorde ook aangesteld om het vak 'Geschiedenis van het Ornament' te doceren. In 1911 werd aan Van de Voorde de leiding toevertrouwd van het zevende jaar Bouwkunde, het afstudeerjaar.
Voordien, in 1909, was hij aangesteld als hoofdarchitect van de Wereldtentoonstelling van 1913 in Gent, een opdracht die hij met veel bravoure volbracht. Na de Wereldtentoonstelling werd hem zelfs een leerstoel aan de Ecole des Beaux-Arts te Parijs aangeboden, maar hij verkoos in Gent te blijven. In opvolging van Directeur van de Gentse Academie, Jean Delvin (1853-1922) werd Oscar Van de Voorde vanaf 1920 zelf directeur. Hij vervulde deze opdracht tot aan zijn op pensioen stelling in 1935, zonder evenwel zijn lesopdrachten op te geven. Tijdens zijn directeurschap evolueerden de opleidingen van een theoretische vorming naar een op de praktijk gerichte vorming. Het onderwijs aan de Academie van Gent werd in die tijd beschouwd als de meest volledige academieopleiding die men in ons land kon volgen.
Ondertussen was Van de Voorde lid van verschillende verenigingen en commissies: vanaf 1899 lid van de Gentse afdeling van de 'Société Centrale d'Architecture de Belgique', vanaf 1908 lid van de 'Vereniging van Bouwmeesters van Oost-Vlaanderen (van 1924 tot 1928 was hij zelfs voorzitter), vanaf 1902 was hij bestuurslid van de 'Vereniging van Nijverheids- en Versieringskunst' , de vereniging die aan de basis lag van het Gentse Museum voor Sierkunst, later zou hij eveneens in de 'Beheerscommisie van het Museum voor Schone Kunsten van Gent' . Tussen 1919 en 1921 was hij raadsman bij het Ministerie van Openbare Werken, vanaf 1920 tot aan zijn dood was hij briefwisselend lid voor de provincie Oost-Vlaanderen aan de 'Koninklijke Commisie voor Monumenten en Landschappen'. Van 1920 tot 1932 was hij lid van de 'Stedelijke Commisie voor Monumenten en Stadsgezichten van Gent', van 1922 tot 1926 was hij voorzitter van de 'Afdeling Plastische Kunsten' van de 'Cercle Artistique et Littéraire de Gand'. Vanaf 1922 tenslotte was Van de Voorde lid van de Brusselse vereniging 'L'Art Monumental', een vereniging die de eenheid tussen bouwkunst, schilderkunst en beeldhouwkunst wou stimuleren.
Oscar Van de Voorde stierf op 11 juni 1938, nog geen 67 jaar oud. Hij werd op zijn uitdrukkellijk verzoek in alle stilte en eenvoud begraven in de familiekelder op de Westerbegraafplaats te Gent.
Zijn belangrijkste architecturale verwezenlijkingen.
Uit zijn uitgebreid architecturaal oeuvre halen we de belangrijkste verwezenlijkingen. Van de herberginrichting van 'The Excelsior wines' (1901) op de hoek van de Kouter en de Schouwburgstraat in Gent, sinds kort het 'Grand Café De Kouter', zijn enkel de houten deur- en raampuien in zweepslagstijl bewaard. Er zijn verschillende meubelen, tapijten, glasramen en gordijnen naar zijn ontwerp uitgevoerd in gestileerde art nouveau, naar aanleiding van diverse insternationale tentoonstellingen, o.a. voor de eerste 'Exposition Internationale des Arts Décoratifs Modernes' in 1902 in Turijn, kantoormeubelen voor de Wereldtentoonstelling van 1906 in Milaan, een moderne kapel met gedeeltelijk interieur oop de internationale tentoonstelling voor 'Moderne religieuze kunst' (1912). In die periode deed hij geregeld een beroep op meubelmaker Charles Verbeke. Later, naar aanleiding van de 'Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriells Modernes' van 1925 te Parijs mocht hij één van de vijf onderdelen van de Belgische afdeling ontwerpen in art deco, o.a. de ingangsportiek en de 'Hall meublé' uitgevoerd door meubelmaker Charles van Beerleire uit Gent. De meeste van deze meubleen en interieuraankledingen zijn bewaard in diverse musea en bevinden zich ook nog in privébezit.
Het vrijzinnige ziekenhuis 'Institut Moderne pour Malades' aan de Koningin Fabiolalaan nr. 57 is ongetwijfeld één van zijn meest moderne realisaties (1909). Daarnaast realiseerde hij verschillende gebouwen in een vrij traditionele neo-Lodezijk XVI~stijl, o.a. de voormalige Bank van Vlaanderen op de hoek van de Kouterdreef en de Universiteitsstraat (1909-1914), het Carelshof te Sint-Amandsberg (1911), de voormalige Belgische Bank van de Arbeid in de Volderstraat nr.1 te gent (1920-1923) en het kasteel 'Blekkervyver' te Aalter (beginjaren '20).
Zijn opmerkelijke werkzaamheden op de Wereldtentoonstelling van Brussel in 1910 sterkten hem om als hoofdarchitect voor de Wereldtentoonstelling van 1913 te gent op te treden. met o.a. de realisatie van het Feest -en Tuinbouwpaleis in het Citadelpark, de hoofdingang van de Wereldtentoonstelling met de erelaan en de gebouwen van de Belgische, de Franse en de Engelse afdelingen, de monumentale fontein met de beeldengroep van Jules Van Biesbroeck, het Paleis voor Schone Kunsten, het Paleis van de Architectuur, het kantoorgebouw van het 'uitvoerend comité'. de portieswoning met garage, het gebouw voor de post, telegraaf en telefoon en voor de politie, het gebrouw waarin het Rode Kruis, de bank, het handelskantoor en de brandweer waren ondergebracht, de paviljoenen van Perzië, Italië, Nederland, Nederlands Indonesië en Spanje, het paviljoen van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent en tenslotte de Internationale hal, boekte hij veel succes. Alle gebouwen werden opgetrokken in het zogenaamde 'Staff-procédé' en ze werden vrijwel onmiddellijk na de tentoonstelling gesloopt.
Naast zijn eigen woning in Deurle bouwde hij in die periode een opmerkelijke rijwoning voor beeldhouwen Domien Ingels en zijn vrouw, de schilderes Marie Pauwels, aan de Drongenstationstraat nr. 16 in Drongen (1913).
Na de Eerst Wereldoorlog legde hij zich meningmaal toe op de bouw van sociale woningen in Gent. Voor 'De Gentsche Maatschappij voor Goedkope Woningen' realiseerde Van de Voorde honderden sociale woningen aan de Brugsesteenweg (1922), de Sint-Bernadettestraat (1923), aan de Zwijnaardsesteenweg (1924) en op de hoek van de Violierstraat en de Zonnebloemstraat (1928 en in 1990 gesloopt). In 1930 deed Van de Voorde aanpassingen aan het sociale woningcomplex aan de Zebrastraat en in 1933 in de Roggestraat. voor de 'Gentsche haard' bouwde hij in 1922 de 'Tuinwijk Ter Heide' in Gentbrugge. In hetzelfde jaar werd ook een tuinwijk aangelegd in Ledeberg aan de Bellevuestraat. Achter de Voskenslaan, in de Goudenregenstraat en de Hofmeierstraat werd tussen 1924 en 1927 een kleine tuinwijk gebouwd. Zijn laatste grote opdracht voor de `Gentsche Maarschappij' realiseerde hij in 1933 in de Mimosawijk.
Het eerste grootschalige appartementsgebouw in Gent, de 'Park Residence' aan de Krijgslaan nr. 1-29, met verwijzingen naar art deco en gestilleeerde Lodewijkstijlen, werd door hem in 1925 gebouwd. Eén van zijn laatste werken realiseerde hij in 1930 samen met Valentin Vaerwyck, namelijk het postgebouw, 'Palais Gand-Sud' aan de Franklin Rooseveltlaan, aan de rand van het pas aangelegde Koning Albertpark. Het gebouw werd echter in het begin van de jaren 1990 gesloopt om plaats te maken voor nieuwe administratieve gebouwen van de Stad Gent.
Naar eigen zeggen zou Van de Voorde eveneens filialen van de Bank van Vlaanderen gebouwd hebben in Deinze, Eeklo, Ledeberg en Sint-Amandsberg. Andere werken zouden zich bevinden in Frankrijk en Winnepeg in Canada. Voor Caïro-Heliopolis en Wü-Chang in China ontwierp hij gebouwen voor de trammaatschappij die naderhand door Baron Edouar Empain werden geraliseerd (begin 20ste eeuw). Een groot deel van deze opdrachten realiseerde hij in samenwerking met zijn jongere broer Albert.
De Cottage in Deurle (aan de Philip de Dentergemlaan 2 Deurle Sint-Martens-Latem).
Over de ontstaansgeschiedenis van deze woning heeft er in de literatuur en zelfs in het beschermingsbesluit tot monument van 30 mei 1996 een belangrijk misverstand bestaan. Vele autuers zijn er vanuit gegaan dat deze cottage als modelwoning in het 'Moderne Dorp' op de Wereldtentoonstelling van 1913 in Gent was opgesteld in 'Staff-bouw'. Van de Voorde zou met deze moderne woning veel succes geoogst hebben en zelfs een eerste prijs weggekaapt hebben. Daarenboven wordt in de architectenverhandeling van Stephane Boens vermeld dat deze modelwoning was opgesteld in de buurt van de sportterreinen van de wereldtentoonstelling in Gent (aan de Sterre) tussen verscheidene andere woningen die meedongen in een wedstrijd voor een 'Modern woonhuis'. Volgens dezelfde auteur was de woning zo 'succesvol dat ze nadien besteld werd en gereproduceerd in 18 landen over heel de wereld'. Nochtans, bij het bestuderen van de publicatie van Pau De Vuyst die het 'Moderne Dorp' op de Wereldtentoonstelling van 1913 beschrijft is er nergens sprake van deze modelwoning van Van de Voorde. Hoe is dit misverstand dan ontstaan? vermoedelijk door andere gebouwen, ontworpen voor Van de Voorde op de terreinen van de Wereldexpositie met deze cottage te verwarren. Inderdaad het huis van de burgemeester in het 'Moderne Dorp' vertoont enkele stilistische gelijkenissen alsook het gebouw van de post, telegrafie, telefoon en politie en ook het bureel van het uitvoerend comité elders op het expoterrein. Voor de inrichting van deze gebouwen deed Van de Voorde net zoals voor de cottage van Deurle een beroep op de creativiteit van Céline Dangotte uit Brussel.
In de recente monografie (1997) over oscar Van de Voorde brent Anthony Demey, kunsthistoricus bij de Dienst Monumentenzorg en Cultuurpatrimonium van de Provincie Oost-Vlaanderen, voldoende argumenten aan om dit misverstand uit de wereld te helpen.
Door zijn verschillende successen op diverse internationale tentoonstellingen, o.a. 1897 te Brussel, 1899 te Gent, 1902 Turijn, 1906 te Milaan, werd Van de Voorde voor de Wereldtentoonstelling van 1910 in Brussel door het Gentse stadsbestuur aangezocht om het historiserende Gentse paviljoen (een combinatie van Metselaarshuis en de Achtersikkel) te verwezelijken. Uit eigen initiatief en op eigen kosten ontwierp hij eveneens een 'Moderne Woning' waarmee hij in de prijzen viel. Er werden foto's gepubliceerd in verschillende buitenlandse tijschriften en het internationaal gezaghebbende tijdschrift 'The Sudio' van 1911 liet zich lovend uit over een paviljoen ingericht door Gustave Serrurier-Bovy uit Luik en de cottage van Oscar Van de Voorde. Deze laatste wordt op de volgende wijze omschreven: 'distinguished by its admirable proportions and by the agreebla air of light and homeliness it gave'. Verder wordt vermeld dat de architect geluk had te kunnen samenwerken met Mevr. Céline Dangotte die op een artistieke wijze de gebruiksvoorwerpen en decoratieve voorwerpen uitzocht, de juffrouwen Mabel Elwes en Meta Budry die de muurdecoratie en het borduurwerk ontwierpen en uitvoerden en de heer Victor Acke uit Kortrijk die de meubelen realiseerde naar een ontwerp van Van de Voorde.
Het is dus deze cottage, op de wereldtentoonstelling van 1910 in Brussel in 'Staff-procédé' opgebouwd, die Van de Voorde naderhand in duurzame materialen liet optrekken als buitenverblijf op de hoek van de Pontstraat en de Philip de Denterghemlaan in Deurle. Wanneer hij dit liet realiseren is tot nog toe niet met zekerheid te achterhalen. Immers, er is noch op de Technische Dienst, noch in het Documentatie- en Archiefcentrum van Sint-Martens-Latem een bouwaanvraag teruggevonden. Deze zou, volgens Urbain Van de Heede, oud-gemeentesecretaris van Deurle, ook nooit ingediend zijn omdat dit in kleine gemeenten vóór de jaren 1920 niet werd gevraagd. Vermoedelijk is de woning opgetrokken tussen 1911 en 1913 als buitenverblijf voor Oscar Van de Voorde en zijn familie. Oscar Van de Voorde bleef ongehuwd en woonde samen met zijn twee ongehuwde zussen die voor hun oude moeder zorgden na de dood van hun vader. Meestal verbleven ze in het ouderlijk huis in Gent, maar in het week-end en tijdens vakantieperiodes verbleven ze in Deurle. De vier slaapkamers in het huis lieten toe dat de volledige familie er langere tijd kon verblijven.
Volgend de Heer Van den Heede was oscar Van de Voorde nooit officieel ingeschreven in het bevolkingsregister van Deurle. De laatste jaren van zijn leven zou hij echter permanent in Duerle verbleven hebben. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, mogelijk ook tijdens de Eerste Wereldoorlog, was de woning bezet door Duitse soldaten. De ligging van de woning, op de hoek van twee straten met zicht op de Leie en haar meersen waren strategisch interessant. De Duitsers lieten het interieur quasi intact, hoewel niet geweten is wat er met de originele geborduurde gordijnen gebeurd is. Na de Tweede Wereldoorlog werd de cottage bewoond door het gezin Jan Van den Berghe uit Kortrijk en mevrouw Langeraert. Zij was een nicht van Oscar Van de Voorde en zij bleef er wonen tot 1983. Gedurende die periode woonde er ook een tuinier in het tuinhuis.
In 1983 werd de woning aangekocht door Mia Reynaert, de huidige eigenares die er met haar gezin woont. Van bij de aankoop besefte de eigenares dat ze een bijzondere woning had gekocht en ondername ze stappen om de villa te laten beschermen om ze in optimale omstandigheden te kunnen restaureren. het zou echter duren tot 9 oktober 1992 vooraleer de bescherming van het dorpsgezicht van Deurle een feit werd met als eindpunt deze eigendom. De originele tuin was ondertussen verkaveld en de scheidingslijn liep dwars door de trappenaanleg van het ondertussen vervallen tuinprieeltje. In de tuin werd een nieuwbouw gerealiseerd waarvoor de gemeente aanvankelijk geen bouwvergunning wou verlenen. De Bestendige Deputatie echter, tekende hiertegen beroep aan...
Vanaf 30 mei 1996 is de woning integraal met het interieur en de tuin als monument beschermd om zijn historische, wetenschappellijke en artistieke waarde. het beschermingsbesluit benadrukt de waarde van dit gebouw in late art nouveaustijl, ooit bewoond door de architect-ontwerper en voorzien van een goed bewaard interieur dat stijlreminiscenties vertoont aan de Wiener Secession, de Schotse Glasgowschool en in bepaalde details reeds neigend naar de art deco. De tuinpaviljoenen, vormt een fraai voorbeeld van tuinarchitectuur en werd eveneens als monument beschermd.
Sedert 1996 is het architectenburo van Ro Berteloot belast met de restauratie. In een eerste faze werden het dak en de dakkapellen hersteld. Volgens architect Ro Berteloot bezat deze woning één van de eerste toepassingen van Eternitleien in Vlaanderen. Bij de restauratie werden deze opnieuw als dakbedekking gebruikt. Een tweede faze, die nog moet aangevat worden zal het schrijnwerk en hte herbepleisteren van de buitenmuren bevatten. later komen het interieur en de restauratie van het glas-in-lood aan bod.
Beschrijving van het exterieur.
De villa bevindt zich in een symmetrisch aangelegde voortuin die gemarkeerd wordt door een terrasvormige aanleg met ovaallopende gecementeerde keremuren met bolvormige gecementeerde en witgeschilderde ornamenten en trappen die respectievelijk naar het woonuis en de prieeltjes links en rechts van het huis lopen. het linkse is zeer vervallen. Het is in hout opgetrokken, vertoont een leien koepeldakje en streng geometrisch raamwerk.
Artikel uit de woonstede door de eeuwen heen - Maart 1999 nr 121